Hoe we rekenen
Geen eigen formule, geen benadering: we volgen het rekenvoorschrift dat de Belastingdienst voor salarissoftware publiceert.
Waar de berekening vandaan komt
De Belastingdienst publiceert elk jaar de Rekenvoorschriften voor de geautomatiseerde loonadministratie: het voorschrift waarmee salarispakketten de loonheffing uitrekenen in plaats van hem uit de tabellen op te zoeken. Wij gebruiken die uitgave van januari 2026, versie 2 — en dat versienummer hoort erbij, want versie 1 vermeldde in tabel 2 een percentage van 35,76 waar 37,56 hoort te staan. «De rekenvoorschriften van 2026» is dus geen precieze bronvermelding.
De stappen, in de volgorde van het voorschrift
- Van tijdvakloon naar jaarloon. Je maandloon gaat maal twaalf en wordt afgerond naar beneden op een veelvoud van € 54 — de stapgrootte waarmee de officiële tabellen zijn opgebouwd. Boven het hoogste tabelloon van € 133.110 vervalt die afronding.
- Het schijventarief. Over dat jaarloon rekenen we de loonbelasting en de premies volksverzekeringen in één keer uit: 35,75 % tot € 38.883, dan 37,56 % tot € 78.426, daarboven 49,50 %. Van die eerste 35,75 % is 27,65 % premie volksverzekeringen (AOW 17,90 %, Anw 0,10 % en Wlz 9,65 %); de rest is loonbelasting. Vanaf de AOW-leeftijd vervalt de AOW-premie en begint de eerste schijf op 17,85 %.
- De heffingskortingen. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting worden van dat bedrag afgetrokken — maar alleen als je de loonheffingskorting laat toepassen. Beide bouwen op en worden daarna weer afgebouwd, en de arbeidskorting doet dat in drie trajecten met elk een eigen maximum. Vanaf de AOW-leeftijd komen de ouderenkorting en eventueel de alleenstaande-ouderenkorting erbij.
- Terug naar één tijdvak. Het jaarbedrag wordt gedeeld door twaalf en rekenkundig afgerond op centen. Dat is het bedrag dat op je loonstrook staat.
Vakantiegeld gaat een andere weg
Vakantiegeld, een dertiende maand en een bonus zijn bijzondere beloningen en worden belast tegen het bijzonder tarief. Dat is geen formule maar een aparte tabel, en die tabel wordt opgezocht op je loon over het hele vorige jaar. Het tarief ligt hoger dan wat je gemiddeld over je maandloon betaalt, omdat het een marginaal tarief is — daarom lijkt het in mei alsof de helft verdwijnt, terwijl er niets bijzonders gebeurt.
Wat de werkgever betaalt
Op een Nederlandse loonstrook staat aan de kant van de werknemer eigenlijk maar één inhouding: de loonheffing, waar de premies volksverzekeringen al in zitten. De premies voor de werknemersverzekeringen — WW (AWf), arbeidsongeschiktheid (Aof), de Werkhervattingskas (Whk) en de werkgeversheffing Zvw — betaalt de werkgever er bovenop. Die staan in het overzicht «wat je de werkgever kost», want ze verklaren waarom een baan aanzienlijk duurder is dan je brutoloon.
Twee dingen die we aannemen
Het rekenvoorschrift is exact; onze invoer is dat niet altijd. Twee plekken waar we iets aannemen, en dat liever hardop zeggen dan verstoppen:
- Het tarief over je vakantiegeld hangt af van wat je vorig jaar hebt verdiend. Dat weten we niet, dus rekenen we met je huidige jaarloon. Is je salaris flink veranderd, dan wijkt dat bedrag af — de berekening laat daar dan ook een waarschuwing bij zien.
- De Whk-premie wordt per werkgever vastgesteld op basis van sector en historie. Wij rekenen met de gepubliceerde gemiddelde premie van 1,52 %. Het is dus een indicatie van de werkgeverslast, geen percentage dat voor jouw werkgever geldt.
Wat er niet in zit
Dit is een berekening van de loonheffing, niet van je aangifte. Aftrekposten, de hypotheekrente, box 3, toeslagen en de heffingskortingen die je pas bij de aangifte verzilvert, blijven hier buiten beschouwing. Welke waarden we precies gebruiken staat onderBronnen; hoe ver de berekening is gecontroleerd staat onderNauwkeurigheid.